Casper Luyken, Augustus, 1700. Collectie Amsterdam Museum,   A 44735

Casper Luyken, Augustus, 1700. Collectie Amsterdam Museum, A 44735

Oogstmaand

Het sterrenbeeld Maagd heerst nu met volle aren.

Het veld wordt nu vri van de aren, waarmee het was bedekt.

En Phyllis denkt bij het snijden, hoe fijn zij geholpen zou zijn,

Als zij zich, net als haar mopshond, op een korenschoof zou kunnen uitstrekken.

Volgens dit gedichtje onder de prent van Casper Luyken was vroeger het oogsten van graan met de hand blijkbaar behoorlijk zwaar werk. Geen wonder, als men bedenkt, dat voor het snijden van het koren meestal een sikkel werd gebruikt, het werktuig waarmee de man op deze prent in de arm loopt. Het kon niet anders, of men moest zich altijd diep bukken om de graanhalmen te maaien. Dit in tegenstelling tot het gebruik van de zeis bij het gras maaien, zoals de vorige maandprent van juli laat zien. Bij dat werk kon men rechtop blijven staan, wat veel minder vermoeiend was.

De dames op de achtergrond zijn hard bezig met het verzamelen en bij elkaar binden van de afgemaaide halmen tot schoven.

Pieter Schenk (uitgever), Augustus, ets, 1701. Collectie Amsterdam Museum, A 56577

Pieter Schenk (uitgever), Augustus, ets, 1701. Collectie Amsterdam Museum, A 56577

Sextilis wordt Augustus

Volgens de Romeinse kalender, die begon in maart, was augustus de ‘mensis sextilis’ (= zesde maand), kortweg ‘sextilis’ genoemd. In 46 v. Chr. hervormde Julius Caesar deze kalender. In de naar hem genoemde Juliaanse kalender bestond een jaar nu uit 365 of - eens in de vier jaar - 366 dagen. Het jaar werd verdeeld over 12 maanden, elk bestaande uit afwisselend 30 of 31 dagen. Tevens zou een jaar voortaan beginnen op 1 januari, toentertijd het begin van de winter. In navolging van Julius Caesar hernoemde diens achterneef en opvolger Octavianus, de latere keizer Augustus, de maand sextilis tot augustus. Tevens verlengde hij die maand met één dag naar 31 dagen. Hij zou niet hebben willen onderdoen voor zijn voorganger, wiens maand juli ook 31 dagen telde. Als gevolg hiervan werd het aantal dagen van februari met 1 dag verkort tot 28 of 29 dagen, afhankelijk van al dan niet een schrikkeljaar.

Het onderschrift van de maandprent Augustus van Pieter Schenk verwijst naar de naamsverandering van de maand. Het onderschrift is, evenals dat van Schenks maandprent Julius, ontleend aan de Latijnse dichter Ausonius.

Voor deze maandprent is overigens niet gekozen voor de oogst als kenmerkend beeld van augustus, maar voor de dan vaak heersende zomerhitte.

In en aan weerszijden van de rivier zijn mensen verkoeling aan het zoeken in het water.

P. Chiapparelli (gieter), Augustus van de Prima Porta, brons en marmer, 1850 – 1899. Collectie Amsterdam Museum, BA 2405

P. Chiapparelli (gieter), Augustus van de Prima Porta, brons en marmer, 1850 – 1899. Collectie Amsterdam Museum, BA 2405

Keizer Augustus

Augustus (63 v. Chr. -14 n. Chr.) was de grondlegger en eerste keizer van het Romeinse Keizerrijk. De Romeinse senaat gaf hem, naast de titel Augustus (= verhevene), ook alle macht in handen om de republiek te hervormen. Stapsgewijs vormde hij de Romeinse Republiek om tot een monarchie, waarvan hij vervolgens 40 jaar lang de alleenheerser werd.

In 1863 werd een groot marmeren beeld van Augustus gevonden in de villa van zijn vrouw Livia in Prima Porta. Dat beeld uit de 1ste eeuw voor Christus, dat nu bekend staat als Augustus van de Prima Porta, toont Augustus als opperbevelhebber van zijn leger. Het symboliseert waarschijnlijk zijn vele overwinningen. Het beeld bevindt zich thans in de Vaticaanse Musea in Rome.

Naar dit beeld van de Romeinse keizer werden al snel na de ontdekking ervan bronzen kopieën uitgebracht. Deze bronzen verkleinde kopie door Chiapparelli is afkomstig uit de collectie van het echtpaar Willet-Holthuysen en is nu te zien in Museum Willet-Holthuysen, Herengracht 605, Amsterdam.

Simon Grimm, Augustus Augustae, et Decus fontis sui, gravure, 1660-1680. Collectie Amsterdam Museum, A 59046

Simon Grimm, Augustus Augustae, et Decus fontis sui, gravure, 1660-1680. Collectie Amsterdam Museum, A 59046

Augustus en Augsburg

Tijdens hun veroveringsveldtocht over de Alpen in 15 v. Chr. stichtten de Romeinen in Zuid-Duitsland bij de samenvloeiïng van de rivieren de Wertach en de Lech de legerplaats en latere provinciehoofdstad Augusta Vindelicum, zo genoemd als eerbetoon aan hun toenmalige keizer Augustus.  Dit is nu Augsburg ( verkorting van Augustusburg), de op een na oudste stad van Duitsland en de oudste stad van de deelstaat Beieren.

De op deze prent afgebeelde Augustusfontein staat in Augsburg op het stadhuisplein en behoort met de Mercuriusfontein en de Herculesfontein tot de grote bezienswaardigheden. De Augustusfontein, bestaande uit brons en marmer, werd ontworpen door de Nederlandse beeldhouwer Hubert Gerhard. Het bronzen gedeelte werd tussen 1588 tot 1594 gegoten door de stadsgieter Peter Wagner. De beide andere fonteinen dateren van iets later en zijn naar ontwerp van de eveneens Nederlandse beeldhouwer Adriaen de Vries gegoten door de toenmalige Augsburgse stadsgieter Wolfgang Neidthardt.

Over Simon Grimm, de maker van deze prent, is maar weinig bekend. Hij was tussen circa 1660 en 1682 werkzaam in Augsburg. Hij ontleent zijn bekendheid eigenlijk alleen aan zijn serie Augsburgse stadsgezichten, waaronder deze drie fonteinen. Deze serie verscheen rond 1680 onder de titel Schau-Platz Augsburgischer Gebäu

Behalve dit blad uit die serie is ook een blad van de Mercuriusfontein in de collectie van het Amsterdam Museum aanwezig. Beide zijn, net als het hiervoor genoemde beeld Augustus van de Prima Porta, eveneens afkomstig uit de nalatenschap van het echtpaar Willet-Holthuysen.

Het is niet ondenkbaar, dat dit echtpaar, of eerder vader Holthuysen al, het beeld en de prenten als herinnering aan hun reizen naar Duitsland en Italië hebben meegebracht.